Ga direct naar inhoud
Ook de nieuwsbrief van Cultuurconnectie ontvangen? Schrijf je in!

Deel via social media

Floor Wittink, ondernemer in hart en nieren

“Leerlingen moeten fluitend van les komen en jij als docent ook!”

Saxofoniste Floor Wittink denkt niet graag in beperkingen en dat heeft zij met haar ondernemerschap meermaals laten zien: zij was de drijvende kracht achter haar ensembles, richtte de Saxschool op, ontwikkelde workshops voor saxofonisten en blaasorkesten - onder andere over ademhaling - en schreef ook nog eens twee boeken: ‘Spelen vanuit je hart’ en ‘Hoe je als muzikant een bloeiende lespraktijk opbouwt’. De titel van haar laatste boek verraadt haar sterke gedrevenheid om haar ervaringen met anderen te delen. Een ondernemer en ontwikkelaar in hart en nieren. Wij spraken met haar over haar werk en de veranderende wereld van de muziekeducatie.

Die gedrevenheid en hang naar ontwikkeling, waar komt die vandaan?
“Ik denk dat ik vooral nieuwsgierig ben of tenminste dat ik een hang naar nieuwe dingen heb. Ik vond bijvoorbeeld de manier van lesgeven op mijn school vroeger vaak al snel heel saai: er werd eigenlijk zó weinig gevraagd aan ons als leerlingen, er was naar mijn smaak te weinig discussie, te weinig creativiteit en daardoor draaide het ook te weinig om mogelijkheden zien en benutten. Ik wilde meer.”

Die behoefte lijk je nu ruimschoots te hebben ingehaald. Hoe heb je dat gedaan?
“Ik ben twee studies gaan doen: psychologie aan de VU in Amsterdam en saxofoon aan het conservatorium, eerst in Alkmaar en later in Enschede. Ik begon aan de VU omdat ik altijd al gefascineerd was door de ontwikkeling van de menselijke geest. Super interessant. Op dat moment speelde ik eigenlijk nog helemaal niet zo lang saxofoon, maar de vooropleiding in Alkmaar ging dusdanig goed dat ik besloot om daar saxofoon te gaan studeren. Het instrument, de muziek en mijn interesse in het vak namen de overhand, waardoor ik uiteindelijk besloten heb om te stoppen met mijn studie psychologie, ook al vond ik die studie heel erg leuk, maar het was te veel om het te blijven combineren. Wat ik in de muziek vooral leuk vond, was de mogelijkheid om eigen projecten te bedenken en te doen, van begin tot eind. Helemaal toen ik lid werd van het Esquire Saxofoonkwartet: ik ging ‘filosoferen’ over waarom we deden wat we deden en hoe we muziekprojecten in de maatschappij konden zetten. Dat was zeker onderscheidend, want we mochten op een gegeven moment ‘artists in residence’ worden bij een concertpodium in Bilthoven (Red.: Huize Gaudeamus). Wij hadden bij Esquire een prima taakverdeling, maar zo’n samenwerking luistert best nauw, zeker wanneer je zo ontzettend veel moet doen om echt voldoende inkomen te vergaren via alleen maar spelen. Daarom heb ik het kwartet verlaten en ben ik mij meer gaan toeleggen op het lesgeven, zelf spelen en ondernemen.”

Dat lesgeven deed je al lang?
“Mijn lespraktijk heeft een klassieke start gehad. Tijdens mijn eerste jaar op het conservatorium ging ik al lesgeven: eerst bij de muziekvereniging van Nieuwe Niedorp, vervolgens in het amateurcircuit van Alkmaar en omstreken en later ook bij diverse kunstencentra en muziekscholen, waaronder die van Heiloo en Amstelveen. Maar ook daarin wilde ik de ruimte opzoeken, dus begon ik zelf workshops te ontwikkelen en geven.”

Is toen ook het idee voor de Saxschool geboren?
“Dat kwam iets later. Ik begon met het opbouwen van een netwerk van amateursaxofonisten en maakte daar een site voor (www.saxofoonworkshops.nl). Sinds 2010 ben ik ook echt workshops gaan ontwikkelen en blogs gaan schrijven over saxofoon spelen; al schrijvende ontdekte ik wat ik het meest interessant vond om uit te diepen en ik kwam in de praktijk ook veel mensen tegen die van allerlei zaken niets wisten. Hen kon ik via mijn blogs vervolgens verder helpen en aan mij binden. Kijk, doorgaans is zo’n eigen beroepspraktijk vrij klein, maar met al die blog-volgers werd mijn ‘online community’ groter en dat merkte ik meteen in het aantal aanmeldingen voor mijn workshops.”

Is de Saxschool puur het gevolg van de groei van jouw workshops? Of ligt dat toch anders?
“Dat ligt inderdaad iets genuanceerder. Ja, de Saxschool is zeker het logische gevolg van alles wat ik al deed, maar het is véél meer dan een mooie etalage van een persoonlijke praktijk. Het is echt een school voor de saxofoon. Ik heb namelijk ook mensen aangetrokken om in de Saxschool les te geven, die weer hun eigen specialiteit hadden; ikzelf ben klassiek geschoold en daar ligt stilistisch mijn expertise, dus daarom heb ik ook een specialist in de pop en jazz benaderd. Soms is ook de omgeving waar iemand veel in werkt belangrijk, waardoor die specifieke kennis heeft en aantrekkingskracht uitoefent op mensen, zoals een collega uit de dance- en DJ-scene, iemand met een sterke ervaring in het verenigingsleven en de wereld van de HaFaBra-examens. Want, waarom moet mijn beperking ook de beperking van leerlingen worden? Je moet een leerling ook kunnen loslaten of doorsturen naar iemand anders.”

Hoe heb jij dat met je collega’s binnen de Saxschool georganiseerd?
“Ik vond het best lastig om mensen te vinden die én een hart voor muziekeducatie hebben én interesse hebben in het opzetten van zo’n school; vaak willen mensen wel gewoon lesgeven, maar het meebouwen aan zo’n praktijk is dan niet altijd vanzelfsprekend. Natuurlijk hoeft niet iedereen ideeën te vormen, want sommige mensen voelen zich veel comfortabeler bij het volgen van andermans ideeën, maar omdat deze school wel mijn idee is, moet ik het voorlopig wel trekken. Ik wil graag samenwerken met mensen, mijn ideeën delen, maar ik hoef ook niet per se leiding te geven. Op dit moment ben ik nog opdrachtgever, maar in de toekomst hoop ik dat deze partnerschappen wat hechter kunnen worden, ook in formele zin, zoals een VOF of maatschap of iets dergelijks.”

Je noemde ‘ondernemen’ ook als iets dat je echt naast het spelen en lesgeven wilde gaan doen. Wat bedoel je daarmee?
“Ik zei al dat ik altijd al méér wilde, dus ik ben geneigd om benieuwd te zijn wat er achter de horizon ligt. Ooit ben ik naar een bijeenkomst met Benjamin Zander geweest en dat is van grote invloed geweest. Zijn presentatie toen en zijn boek ‘The Art of Possibility’ hebben enorm veel voor mij betekend: ik kijk nu heel open tegen van alles aan en denk minder vanuit beperkingen. Dus als ik iets wil of voor mij zie – en het is er nog niet – dan ga ik het zelf maken. Zoals de Saxschool of het schrijven van een boek.”

Welke verschillen zie jij daarin tussen zzp’ers en docenten in loondienst? Is het ondernemerschap onlosmakelijk verbonden aan een vrije beroepspraktijk als zzp’er? Kunnen werkgevers en werknemers daar ook iets mee?
“Ik denk dat een ondernemende houding altijd goed is en ik zie de groei van het zzp’schap ook niet per definitie als iets slechts. Tegelijkertijd vind ik een groot kunstencentrum veel voordelen hebben, want daarbinnen zijn veel mogelijkheden tot samenwerking zoals het hebben van ensembles, een doorlopende leerlijn en innovatie. Profileren is daarbij erg belangrijk, ook voor docenten in loondienst: bouw een netwerk, ook buiten de muren van je werk- of opdrachtgever, geef vrijkaarten voor je optredens, deel op social media en organiseer voorspeelavonden. Zo kan je het persoonlijk maken en die verbinding met leerlingen is heel erg belangrijk. Ik begrijp dat de docent die bij een kunstencentrum in dienst is dit ook in lijn moet brengen met de organisatie, maar we zouden met z’n allen hiervoor meer ruimte moeten organiseren zodat docenten zich op een meer persoonlijke wijze kunnen presenteren.”

Gaan die twee werelden elkaar dan niet beconcurreren?
“Nee, dat denk ik niet. Een kunstencentrum hoeft zich volgens mij daarover niet zorgen te maken, tenminste als de docent en de organisatie zich maar op een passende wijze profileren. Een kunstencentrum heeft meer, of andere, mogelijkheden voor het spelen in ensembles, van cursussen algemene muzikale vorming, en allerlei zaken waar organisatiekracht en middelen voor nodig zijn en die een individuele docent minder gemakkelijk kan bieden. En waar grotere organisaties in de besluitvorming soms wat traag kunnen zijn, ben ik met mijn Saxschool heel wendbaar, kan snel bijsturen en heb gelukkig ook de mogelijkheid om met organisaties samen te werken, zoals Cultuur19 en harmonieorkest Vleuten. Dat vult elkaar goed aan. Daarnaast denk ik dat het voor kunstencentra zelfs enorm gunstig kan zijn om het kwaliteitsimago van hun docenten meer op de voorgrond te zetten. Als Saxschool zijn wij ook een soort paraplu voor het instrument, maar daarbinnen laten wij de individuele verschillen van docenten heel bewust en duidelijk zien. Er zijn veel mogelijkheden om jezelf te positioneren en te onderscheiden, zonder dat dat over geld hoeft te gaan.”

Je schreef twee boeken, waarvan één over het opbouwen van een bloeiende beroepspraktijk? Wat is de essentie van dit boek en wat is jóuw signatuur als docent? 
“De magie van muziek probeer ik vanaf het eerste moment mee geven: de eerste les gaat al om schoonheid en komt niet pas in beeld als je heel goed bent. Ik vind ook dat een leerling nooit de maat moet nemen, maar eerder dat je blokkades moet wegnemen: fysiek, onzekerheid, twijfels over de eigen muzikaliteit (vooral bij volwassenen!), niet weten hoe te leren, negatieve gedachtes en ga zo maar door. Een leerling wil het leuk hebben, zelfvertrouwen krijgen, weten hoe die thuis verder moet met de muziek, inzicht krijgen in eigen muzikaliteit. In mijn boek heb ik bewust geen modellen of methodes gebruikt en heb leertheorieën er expres buiten gehouden. Ook al heb ik vanuit ervaring wel foefjes en trucjes om dingen te bereiken, ik concentreer mij vooral op de persoonlijke connectie met mijn leerling, want dat werkt motiverend. Persoonlijk maken helpt enorm, ook dat heb ik van Benjamin Zander. Als je het voor jezelf persoonlijk maakt, dan wordt het dat ook voor de ander. Ik maak nooit iets abstracts op maat, maar ik maak het gewoon persoonlijk, ook voor mijzelf: dát komt namelijk binnen bij de ander, dát is enthousiasmerend en emotie zorgt er ook nog eens voor dat je iets onthoudt.”

Hoe kijk jij tegen de verdere ontwikkeling van kunst- en cultuureducatie aan?
“Ik heb gehoord dat Cultuurconnectie nauw betrokken is bij de ‘Arbeidsmarktagenda’ en ik vind dat wij inderdaad vaak minder betaald krijgen of minder vragen dan andere beroepen in de individuele dienstverlening. Maar ik vind dat je niet subsidie moet inzetten om de concurrentiekracht te vergroten. Je krijgt niet meer leerlingen door aan de prijs te gaan sleutelen, maar wel door een naam op te bouwen en te laten zien dat je iets heel moois en met kwaliteit levert. Dan zijn leerlingen daarvoor bereid te reizen en te betalen en kun je er een normale, goede prijs voor vragen. Dus niet op prijs verkopen, maar op het creëren van meerwaarde. Ik vind het bovendien een probleem wanneer er kosten worden bespaard door de lessen steeds korter te maken; dat gaat ten koste van de kwaliteit. Je kunt ook op een andere, meer creatieve manier naar oplossingen zoeken. Wie zegt dat je veertig lessen per jaar nodig hebt? Waarom niet minder lessen die langer zijn en meer kwaliteit hebben? En die dan ook combineren met andere activiteiten, workshops of online lessen. Verkorting van lessen is ook heel slecht voor de kunstencentra zélf, want de meerwaarde daar is nou juist die kruisbestuiving en dat je daar méér kunt doen dan die ene muziekles. Het is dan juist gunstig als een leerling zo lang mogelijk ‘in huis’ is en zoveel mogelijk de kans loopt om met andere en nieuwe dingen in aanraking te komen. Binnen de Saxschool bied ik daarom ook pakketten aan die niet alleen maar lessen bevatten, maar ook samenspel, workshops en gezamenlijk optreden. Dat ik dat heb weten te ontwikkelen rondom één instrument en toch voldoende diversiteit in het aanbod heb weten te creëren, is denk ik een interessant gegeven voor muziekscholen en kunstencentra. Daar zie ik soms nog wel eens waterscheidingen tussen instrumentengroepen en dat die groepen ook heel erg vast zitten in het genre wat met het instrument wordt geassocieerd. Ik zou het heel interessant vinden om die ervaring met kunstencentra te delen: hoe je met focus op dat ene instrument toch bruggetjes kan slaan met andere muziek en cultuur en hoe een ondernemende en persoonlijke benadering daarin het verschil maakt voor leerlingen. Leerlingen moeten fluitend van les komen en jij als docent ook!”

Links

Publicatie

“Hoe je als muzikant een bloeiende lespraktijk opbouwt”
96 pagina’s
ISBN 9789461550361

meer